
Inleiding
Het is niet makkelijk om een fiscaal-juridische scriptie te schrijven. Dat komt deels omdat de fiscale opleiding weinig voorbereiding geeft op onderzoekswerk. Veel fiscaal-juridische vakken zijn volgestopt met de toepassing van wettelijke regels op eenvoudige casusposities, die gestileerd zijn om een student in korte tijd stap-voor-stap de belangrijkste regels van een bepaalde belastingwet aan te leren. Er is hier en daar best tijd voor een beetje grijs en een beetje nuance, zeker in de master, maar het telkens ter discussie stellen van de regels of interpretatiemethode zélf gebeurt niet, want dat maakt het leerproces ontzettend verwarrend. Laten we eerlijk zijn: fiscaal-juridische tentamens bestaan voor het merendeel uit casussen die de student moet oplossen. Noch studenten, noch docenten hebben veel zin in casussen waarvan de antwoordindicatie voor elke opgave zestig vertakkingen moet bevatten met alternatieve interpretatiemethodes of andere systematiseringen van de verhoudingen tussen verschillende regels binnen de wet.
Begrijpelijk allemaal, maar als dat er drie of vier jaar lang in is gestampt, is het plotseling moeten uitvoeren van een juridisch onderzoek voor veel studenten een flinke omslag. Bij een onderzoek gaat het opeens niet meer over het oplossen van een casus, maar over de inhoud van de regels zelf. Alles draait als het ware om: je vertrekt niet vanuit één casus waar je de relevante regels bij zoekt, maar je begint bij een regel die op duizenden verschillende casussen van toepassing zou kúnnen zijn, en beschouwt die in verhouding tot andere regels en beginselen, die elk voor zich ook weer (tien)duizenden verschillende casussen bestrijken. Hoe begin je daaraan? In deze korte bijdrage beschrijf ik enkele uitgangspunten die hopelijk behulpzaam zijn bij het schrijven van een goede scriptie. Houd bij het lezen ervan in het achterhoofd dat de universiteit de scriptie gebruikt om de onderzoeksbekwaamheid te toetsen: dat is een andere vaardigheid dan de vaardigheid om bestaande regels op de juiste manier op een casus toe te passen.
Een centrale probleemstelling: juridische spanning
Elk onderzoek begint met een centrale probleemstelling. Het opschrijven en afbakenen daarvan is een van de moeilijkste onderdelen van het hele onderzoek. Het kan het schrijfproces maken of breken. Men spreekt in dit kader van het zoeken van een ‘onderzoeksonderwerp’ of ‘onderzoeksthema’, maar eigenlijk is dat te neutraal. De deelnemingsvrijstelling en de eigenwoningregeling en box 3 en VAT in the Digital Age zijn allemaal ongetwijfeld onderwerpen, maar met het enkel benoemen daarvan is nog geen probleem geïdentificeerd dat zich voor academisch onderzoek leent. Studenten die op deze manier met een onderwerp beginnen, zonder er een probleem in te identificeren, produceren vaak imposante hoeveelheden tekst die uiteindelijk neerkomen op een soort beschrijvend lesboekje over dat (deel)onderwerp: leuk, nuttig voor allerlei praktijkdoeleinden, maar géén juridisch onderzoek dat een valide scriptie oplevert.
Het is dus zaak om een probleem onder woorden te brengen. Zoals mijn btw-collega Van der Wulp het uitdrukt: wat doet zich voor en waarom is dat erg? Het gaat hier niet om een probleem in de vorm van toepassing van de regels op een casus, maar een probleem op het niveau van de regels zelf: een mogelijke juridische spanning tussen de ene regel en de andere, of tussen een regel en een rechtsbeginsel, of tussen rechtsbeginselen onderling. Die spanning kun je overal vinden – van de eerste bepaling van de wet tot de laatste, als je je maar lang genoeg afvraagt wat de woorden van die bepaling precies betekenen en hoe ze zich verhouden tot andere wettelijke bepalingen, tot de wetsgeschiedenis en tot het doel dat de wetgever beoogt te bereiken. In eerste instantie voelt het misschien vreemd om zo over stof na te denken. In het dagelijks leven gaan we meestal niet actief op zoek naar problemen, maar gaan we met problemen aan de slag nadat we er van buiten mee zijn geconfronteerd. Juridisch onderzoek vergt daarentegen juist dat je problemen ‘maakt’ – of beter gezegd, zichtbaar maakt – door kritisch vragen te blijven stellen over de woorden waarin die regels zijn vervat.
Andere literatuur kan helpen bij het identificeren van dergelijke problemen, maar het is niet handig om de formulering van een probleem van een andere auteur een-op-een over te nemen. Je onderzoek heeft dan weinig tot geen toegevoegde waarde ten opzichte van wat die auteur reeds heeft gedaan, tenzij het je bedoeling is om een diepgaande kritiek te schrijven over het werk van die andere auteur. Dat laatste vergt dat je de juridische spanning in de redenering van die andere auteur onder woorden brengt, dus de probleemstelling is, zelfs in dat geval, nooit precies dezelfde.
Het centrale probleem in stukken: deelvragen
Als een begeleider aandringt op het opstellen van goede deelvragen, is dat geen pesterij of formaliteit. Door het opstellen van deelvragen dwing je jezelf om na te denken over de deelgebieden waarin je centrale probleemstelling uiteenvalt. Welke ideeën, die aanleiding geven tot die spanning die de centrale probleemstelling een onderzoek waard maken, staan tegenover elkaar? Welke functie vervullen de relevante wetsbepalingen binnen het geheel van die wet? Welke beginselen, die ten grondslag liggen aan die wet, staan daarbij voorop, en welke heeft de wetgever juist – bewust of onbewust – meer op de achtergrond gezet? Als je die beginselen elk voor zich onderzoekt, welke normen vloeien daar dan uit voort, en hoe botsen die eventueel met normen die uit andere relevante beginselen voortvloeien?
Deelvragen stellen je in staat om je onderzoek op te delen in meer behapbare bouwblokken, die je pas later in het schrijfproces bij elkaar brengt in één analyse die de hele centrale probleemstelling bestrijkt. Dit opdelen helpt het schrijfproces omdat je je zonder zorgen over ‘hoe alles bij elkaar past’ kunt concentreren op een bepaalde regel of een bepaald beginsel. Elke deelvraag behandel je in eerste instantie dus zo veel mogelijk op zichzelf. Deze aanpak helpt bovendien om vooringenomenheid te voorkomen. De mens heeft een natuurlijke neiging om zijn ervaringen of kennis als één sluitend verhaal te begrijpen, en in de context van een scriptie leidt dat tot het risico dat je de verschillende regels en beginselen al opschrijft op een manier die het beste bij (jouw gevoel over de oplossing van) de centrale probleemstelling past. Dat is academisch onverantwoord. Spanningen tussen de deelonderwerpen – en dat zijn vaak juist die spanningen die je centrale probleemstelling tot een valide onderzoeksonderwerp maakten – moeten eerlijk en open worden neergezet, geanalyseerd, en voor zover mogelijk, onderbouwd opgelost.
Het apart analyseren van de relevante regels en beginselen die relevant zijn voor de centrale probleemstelling stelt je tot slot in staat om te controleren welke onderzoeksmethoden nodig zijn om een verantwoord en volledig antwoord op de probleemstelling te geven. Gelet op het karakter van een rechtenopleiding en de relatief korte deadline voor het schrijven van een masterscriptie kiezen de meeste studenten om een juridisch-dogmatisch onderzoek te doen: een analyse van regel versus regel, regel versus beginsel, beginsel versus beginsel die vooral neerkomt op de interpretatie van gevoelens en gedachten die we zo goed mogelijk in onze gebrekkige taal proberen te vangen. Maar niet elk probleem laat zich verantwoord met zo’n aanpak oplossen. Het beste voorbeeld is het evenredigheidsbeginsel. Dat is ongetwijfeld een algemeen rechtsbeginsel dat zich in veel verschillende vormen voor juridisch-dogmatische analyse leent. Maar dat is niet zo als we met ‘evenredigheid’ willen vaststellen of bijvoorbeeld de verhoogde economische lasten voor het bedrijfsleven opwegen tegen het op zich legitieme doel dat een bepaalde regel probeert te bereiken. De weging van de ‘lasten van het bedrijfsleven’ kan immers niet juridisch-dogmatisch zijn: het is geen kwestie van de interpretatie van taal. Je kúnt daar onderzoek naar doen – sterker nog, dat is ontzettend nuttig – maar het vereist een deels economische methode om de genoemde ‘lasten’ vast te stellen en te wegen. Als je die methode niet wilt of kunt hanteren, dan heeft dat consequenties voor de afbakening van je onderzoek.
Analyse versus beschrijving
Goed, de centrale probleemstelling is duidelijk en je hebt die opgedeeld in verschillende deelvragen die in een logische volgorde staan. De analyse van elk van die deelonderwerpen kan van start gaan. Wat zijn daarbij de aandachtspunten?
Wat een scriptie in ieder geval niet is, is een collectie beschrijvingen of samenvattingen van andere rechtsbronnen of artikelen uit de literatuur. Dat soort werkzaamheden is nuttig voor je eigen notities in voorbereiding op de eigenlijke scriptie, maar vormt op zichzelf geen bijdrage aan de academische wereld. Zelfs als het dat wel zou zijn, is dit een werkzaamheid waarin AI reeds nu, of anders in de komende vijf jaar, de menselijke vermogens ver voorbijstreeft. Je bent dus onvermijdelijk veel bezig met samenvatten, maar dat is voorbereidend werk om in kaart te brengen hoe de rechtsbronnen en literatuur ervoor staan, niet het schrijven van de scriptie zelf.
Het onderscheiden van analyse en beschrijving klinkt simpel, maar is het niet. Een juridisch-dogmatische analyse is uiteindelijk een taalspel – een tamelijk moeilijk taalspel met ellenlange, elkaar vaak tegensprekende teksten weliswaar, maar in essentie het overtuigend vouwen van woorden over andere woorden. Daardoor is zelfs in de beste juridische dissertaties vaak moeilijk te onderscheiden waar beschrijving overgaat in analyse en weer terugkeert. Sterker, veel van de meest interessante stukken springen constant van zinsneden die zijn terug te voeren op bestaande bronnen naar ‘nieuwe’ zinsneden of nieuwe combinaties van zinsneden.
Er bestaat helaas geen wondermiddel om snel bekwaam te worden in deze combinatie van beschrijven, interpreteren en analyseren. In zekere zin is de complexiteit van deze werkzaamheid precies wat juridisch-dogmatisch onderzoek zijn universitaire niveau geeft. Om daar gevoel bij te krijgen is het vooral zaak om veel rechtspraak en juridische analyses van andere auteurs kritisch te bestuderen. Je leest deze bronnen tijdens het onderzoek niet met het doel om een simpele kopie van de gelezen woorden in je brein op te slaan, maar – voor zover de kennis uit de opleiding dat toestaat – in de aanvalsmodus: klopt wat hier staat? Waarom is wat hier staat wel of niet overtuigend? Stel dat je de stelling moet aanvallen, ongeacht of je het er zelf mee eens bent: welke argumenten zou je dan gebruiken? In het onderzoek zijn je methode, je verantwoording, en een zo neutraal mogelijk uitgangspunt heilig. De rechtsbronnen zelf zijn dat niet, of het nu gaat om een uitspraak van de hoogste rechter, de uitlatingen van een gerenommeerde auteur, of de al goedgekeurde scriptie van een zojuist afgestudeerde medestudent. Kies je om een stelling uit een bron in je eigen verhaal over te nemen, dan is het jouw stelling geworden – alles wat er goed aan is, maar ook alles wat er potentieel mis mee is.
Kortom
Een fiscaal-juridische scriptie begint bij het zo scherp mogelijk onder woorden brengen van een spanning tussen bepaalde regels en beginselen of regels onderling. Zodra die spanning op papier staat in de vorm van een centrale probleemstelling, is het zaak om door middel van een kritisch (voor)onderzoek af te bakenen welke juridische bouwblokken je nodig hebt om een verantwoord antwoord op die centrale probleemstelling te geven, en welke volgorde van behandeling van die deelonderwerpen logisch is. Ben je eenmaal met het uitdiepen van de deelonderwerpen bezig, lees je eigen werk dan altijd kritisch tegen. Houd in het achterhoofd dat het plat beschrijven van bestaande rechtsbronnen doorgaans thuishoort in je notities, niet in de scriptie zelf. In de scriptie staat jouw interpretatie van de regels en beginselen en hun onderlinge verbindingen centraal. De bestaande rechtsbronnen vormen ‘slechts’ een onderdeel van de onderbouwing ervan: een onmisbaar onderdeel – dat zeker – maar nog steeds de onderbouwing van het verhaal, niet het verhaal zélf.
