Opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis en de eigen woning

Gepubliceerd op: 10/04/2026

Mr. Dr. G.M.C.M. Staats1

In art. 3.111, lid 5 Wet IB 2001 is een regeling opgenomen voor de situatie waarin een woning niet meer tot hoofdverblijf dient omdat de belastingplichtige is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis. Gedurende een periode van ten hoogste twee jaar wordt de woning dan nog als hoofdverblijf aangemerkt om te bewerkstelligen dat betaalde hypotheekrente nog voor aftrek in aanmerking kan komen. Daarbij moet het gaan om opname in een verpleeg- of verzorgingsinstelling waarin de belastingplichtige is opgenomen vanwege medische redenen of ouderdom.

Het onderhavige artikel is ingevoerd bij de Derde Nota van Wijziging van de Wet Inkomstenbelasting 2001.2 De toelichting is vrij beperkt en klinkt logisch en sympathiek. Als de eigen woning een belastingplichtige niet meer als hoofdverblijf ter beschikking staat door een langdurig verblijf in een instelling die zorg verleent als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten blijft de eigenwoningregeling toch van toepassing. Gedurende maximaal twee jaren wordt de woning als een box 1 woning aangemerkt waarvoor het eigenwoningforfait geldt en waarvan de hypotheekrente aftrekbaar is. Overigens is de verwijzing naar de AWBZ vanaf 2006 vervallen.3

Deze situatie kan zich in de praktijk eenvoudig voordoen. Ouderen blijven meer en meer in hun eigen woning wonen en dat dan de situatie ontstaat dat men opgenomen wordt in een verpleeg- of verzorgingstehuis in niet ondenkbeeldig. Daarom is het goed dat de wetgever hier oog voor heeft en een tegemoetkomende regeling heeft opgenomen.

Partners

Het kan zijn dat een alleenstaande belastingplichtige met een eigen woning opgenomen wordt in een verzorgingstehuis. Gedurende twee jaar blijft de woning dan een eigen woning ook al is het geen hoofdverblijf meer.

Maar het kan ook zijn dat er sprake is van fiscale partners, waarbij één van beiden opgenomen wordt. Zijn of haar deel van de eigen woning blijft dan nog twee jaar een eigen woning ook al is het niet meer zijn/haar hoofdverblijf. De ene partner zal dan veelal in de woning blijven wonen en de ander is dan opgenomen in de verzorgings- of verpleeginstelling. Ook dan blijft de volledige woning een eigen woning voor de Wet IB 2001 gedurende twee jaar. Van den Berg stelt dat art. 3.111, lid 5 Wet IB 2001 zich bij partners niet voordoet en verwijst daarbij naar art. 5a, lid 7 AWR.4 Zijn uitleg van art. 5a, lid 7 AWR volg ik niet en is naar mijn mening ook niet correct.

Tweejaarsperiode en besluit

Aan art. 3.111, lid 5 Wet IB 2001 is dus een tweejaarsperiode verbonden. Feitelijk geeft de wetgever belastingplichtige(n) de tijd om een en ander te regelen, voordat het fiscale gevolgen heeft. In de toelichting wordt een parallel getrokken met de echtscheidingsregeling van art. 3.111, lid 4 Wet IB 2001.5

Het gevolg is dat de tegemoetkomende regeling na twee jaar afloopt en de woning na die periode geen eigen woning meer is als men niets naders heeft geregeld. In dat geval is het gevolg dat (bij alleenstaanden) de woning naar box 3 gaat en bij fiscale partners (als de woning gemeenschappelijk eigendom is) voor 50% van de woning naar box 3 gaat.

De staatssecretaris van Financiën is in het Besluit van 24 november 2009 hierop ingegaan. Samengevat stelt hij daar dat na twee jaar sprake is van twee hoofdverblijven. De ene partner woont in de eigen woning en de ander in de verzorgingsinstelling. Op grond van art. 3.111, lid 9 Wet IB 2001 kunnen beide echtgenoten dan kiezen dat de gezamenlijke eigen woning het hoofdverblijf is en daardoor blijft deze woning ook nog volledig een eigen woning.6

Commentaar

De vraag is of de uitleg van de staatssecretaris in het besluit uit 2009 wel correct is. Dit lijkt niet het geval.

Allereerst is het betreffende onderdeel van het besluit deels sowieso al achterhaald omdat het fiscaal partnerbegrip per 2011 gewijzigd is. Sinds dat moment zijn duurzaam gescheiden levende (gehuwde) partners nog altijd fiscale partners. Er is geen keuzemogelijkheid meer of iets dergelijks. Dit staat nog wel in het besluit.

Voorts is het standpunt, hoewel sympathiek, gewoon fout, zelfs contra legem. Van Mourik merkte dat al op. De situatie dat de ene partner nog in de woning woont en de ander in een verzorgingsinstelling, is geen situatie waar art. 3.111, lid 9 Wet IB 2001 op ziet. Hoewel de tekst het niet uitsluit, ziet lid 9 ook naar mijn mening op twee hoofdverblijven in de zin van de eigenwoningregeling en de verzorgingsinstelling is geen hoofdverblijf in dat kader. In de toelichting op deze regeling wordt alleen ingegaan op de situatie dat er sprake is van twee ‘eigen woningen’. En dat is in een situatie als van art. 3.111, lid 5 Wet IB niet het geval. Dus niets te kiezen.7

Al zou er wel iets te kiezen zijn, gaat het nog steeds niet goed. Immers, de oorspronkelijk gezamenlijk bewoonde eigen woning wordt nu nog alleen bewoond door één echtgenoot. Voor dat deel is het een eigen woning. Art. 3.111, lid 9 Wet IB 2001 kan er niet voor zorgen dat ook het deel van de partner in de zorginstelling een eigen woning is.8

Praktijk

Dat een partner opgenomen wordt in een verzorgingsinstelling is een situatie die in de praktijk meer dan eens voor zal komen. Ik heb geen cijfers over de situatie hoeveel van de personen die opgenomen worden in een zorginstelling hier langer dan twee jaar verblijft. Het zal namelijk zo zijn dat in diverse situaties er een overlijden in die twee jaar volgt. Voorts lijkt er weinig op tegen om ook na twee jaar de eigenwoningregeling nog te respecteren. Ik kan me overigens, met Van Mourik9, voorstellen dat de Belastingdienst de renteaftrek ook na twee jaar in onderhavige situaties accepteert.

Conclusie

Op zich is art. 3.111, lid 5 Wet IB 2001 een sympathieke en welkome regeling. De toevoeging van de staatssecretaris in het besluit van 2009 is incorrect. Wel kunnen belastingplichtigen er waarschijnlijk vertrouwen aan ontlenen. Maar de oplossing zou veel eenvoudiger kunnen zijn door de tweejaarsperiode uit deze regeling te verwijderen bij partnersituaties. Wellicht dat het voor een situatie zonder partner wel kan blijven staan, daar het dan een stimulans is om binnen twee jaar de woning te verkopen, daar er toch sprake is van een permanente opname in een verzorgingsinstelling.

Voorts moet het besluit uit 2009 worden geactualiseerd. Het zet belastingplichtigen op het verkeerde been, het is niet correct en de wet is daarna enkele keren gewijzigd, waardoor een actuelere versie van dit besluit zeer welkom is.10

 

[1] Mr. dr. G.M.C.M. Staats is werkzaam als universitair docent bij Tilburg University en Director bij Bureau Vaktechniek van BDO Tax & Legal.

[2] Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 79.

[3] Kamerstukken II, 2009/2010, 32 401, nr. 3.

[4] J.E. van den Berg, Weer wijzigende regels rond de eigen woning, FTV 2013/56. In dezelfde zin J.E. van den Berg en E.G. Hoepelman, FED Fiscale Brochures, 2018, par. 2.3.2.5.

[5] Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 79, p. 7.

[6] Besluit van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, onderdeel 5.

[7] M.J.J.R. van Mourik, H.P.M. van Bijnen, De eigen woning in de Wet IB 2001, 5e druk, Sdu, 2024, par. 3.5.5

[8] In gelijke zin: M.J. Hoogeveen, L.H.M. Heijligers en S. Lam, De partner in het verpleeg- of verzorgingshuis en de eigen woning, WPNR 2018/7210 en M.J.J.R. van Mourik, H.P.M. van Bijnen, De eigen woning in de Wet IB 2001, 5e druk, Sdu, 2024, par. 3.5.3.2.

[9] M.J.J.R. van Mourik, H.P.M. van Bijnen, De eigen woning in de Wet IB 2001, 5e druk, Sdu, 2024, par. 3.5.5.

[10] Overigens geldt dat ook voor het eigenwoningbesluit van 10 juni 2010, nr. DGB2010/921.